Naast de beëdigde personeelsleden waren er ook nog anderen werkzaam aan de Munt. Over deze lieden die meestal te boek staan als smelter, noodhulp, arbeider of dagloner aan de Munt is zeer weinig bekend. Zij waren in dienst van de muntmeester of van de muntgezellen. Uit een rekening van muntmeester Van Naamen blijkt dat er tussen 1782 en 1785 drie noodhulpen en een smid aan de Munt verbonden waren.

Pas in de negentiende eeuw, als in het Koninkrijk Holland voor de uitoefening van een beroep een patent moet worden aangeschaft, wordt duidelijk hoeveel mensen er in totaal aan de Munt werkten. Uit de Utrechtse patentregisters blijkt dat in de jaren 1809 en 1810 er in totaal circa 35 man bij de Munt werken. Op dat moment bedroeg de verhouding tussen beëdigd personeel en niet-beëdigd personeel 1:3. Uitgaande van dezelfde verhouding kan de voorzichtige conclusie worden getrokken, dat de Munt van Utrecht in de achttiende eeuw aan ongeveer zestien tot vijfentwintig man tegelijk werk bood.

Hermen
Jan Adam Matthijsz
Matheus Goortsz
Beeck, Matthijs van
Bode, Elias
Bon, Huibert
Braké, Pieter
Brakké, Bernardus
Brouwer, Arien
Budding, Nicolaas Wilhelmus
Deventer, Adrianus van
Engel, Jan ter
Gaalkop, Cornelis
Golioon, Johannes
Gotsch, P.C.
Hellerman, Johan Adam Ernst
Keijser, Johannes Diderik
Kirchner, Johan Caspar
Koekenberg, Andries
Lautenslager, Constantijn
Lee, Jacobus van
Lemme, Nicolaas
Osch, Walraven van
Otten, Hendrik Rogge, Bastiaan
Roggeman, Jacobus
Roij, Jacobus
Ros, Jacobus
Schaat, Jurrien
Schefer, Johan Conrad
Scherpenzeel, Jozeph van
Schnieder, Hannes
Schoenmaker, Simon
Stubelinkhuis, Casper Diderich
Vilmig, Theodorus
Vogel, Daniël
Weijchel, Jan
Wizman, Johan