De waardijn vertegenwoordigde de Staten van Utrecht binnen het muntbedrijf. Hij hield het toezicht op de naleving van de voorschriften en was belast met de controle op en administratie van de muntproductie. De waardijn had binnen het muntbedrijf een onafhankelijke positie en zonder zijn toestemming kon èn mocht de muntmeester niet werken. Hij controleerde het uiterlijk en het gewicht van de munten en hield de productiecijfers bij. Het gehalte van de munten verifieerde hij aan de hand van de essaybiljetten die hij ontving van de essayeur.
De waardijn was degene die uit elke partij een aantal proefstukken nam en deze in de muntbus deed. Hij administreerde verder de hoeveelheid aangemaakte munten. Mede aan de hand van deze administratie werd naderhand de sleischat bepaald. Tot slot beheerde de waardijn de muntstempels. Aan het eind van iedere dag moesten de muntstempels worden ingeleverd bij de waardijn, die de stempels in genummerde zakjes opborg in een ijzeren kist met sloten.
In veel plaatsen werd de waardijn gerecruteerd uit de Vroedschap of de Staten en diende hij slechts voor een bepaalde periode. In Utrecht ontving hij echter zijn benoeming voor het leven. Zijn bezoldiging ontving de waardijn door de Provinciale Staten. De bezoldiging was matig en werd alleen toegewezen voor de periode dat de Munt daadwerkelijk in bedrijf was. De verantwoordelijkheid die de waardijn droeg was groot, maar zijn taken waren niet zo tijdrovend dat ze hem verhinderden tegelijkertijd andere bezigheden te hebben. Enkele waardijns aan de Utrechtse Munt vervulden ook andere overheidsfuncties of hielden er handelsactiviteiten op na. Evenals de muntmeester genoot ook de waardijn vrijdom van wacht en diverse imposten. Uit de Vroedschapsresoluties van de stad Utrecht blijkt echter dat het verlenen van deze privileges veelal voorafgegaan werd door een verzoekschrift om vrijstelling.