Oorspronkelijk werden de functie van waardijn en essayeur door twee afzonderlijke personen vervuld. In Utrecht werd echter gedurende bijna een eeuw het waardijn- en essayeurschap gecombineerd, waarbij deze ambten ook nog van vader op zoon overgingen. De essayeur was een scheikundige met praktische kennis van zaken, terwijl de waardijn meestal afkomstig was uit de kring van bestuurders.
Nadat de gebroeders Van Voorst gedurende een zeer korte periode het essayeursambt hadden bekleed, verzocht de waardijn Frederik Eliot in 1664 ook met het essayeurschap vereerd te mogen worden. Hij schreef de Staten dat de heren Van Voorst de uitoefening van hun ambt niet echt serieus hadden genomen en dat hij de afgelopen vier jaar het essayeurschap provisioneel had vervuld. De Gedeputeerde Staten van Utrecht waren wel bereid Eliot ook het essayeurschap te verlenen, maar wilden daarover eerst nadere inlichtingen ontvangen van het College van Raden en Generaalmeesters. Het College antwoordde dat zij geen bezwaar had tegen het combineren van de twee functies, aangezien ze geen tegenstrijdige belangen kenden. Zij wezen er in hun antwoord op dat de voorgestelde combinatie aan de Munt van Keulen reeds gebruikelijk was en dat ook aan de Munt van Harderwijk de waardijn al enige jaren de functie van essayeur provisioneel waarnam. Voorzover het College bekend was, waren sinds de introductie van de dubbelfunctie aan die munthuizen geen conflicten ontstaan. Zij voorzagen dan ook geen problemen voor de Utrechtse Munt. Na het ingewonnen advies werd de reeds tot waardijn benoemde Eliot tevens tot essayeur aangesteld. De dubbelfunctie waardijn/essayeur zou aan de Utrechtse Munt een eeuw blijven bestaan en door vier generaties Eliot worden bekleed.