In 1567 heropende Filips II, koning van Spanje (1555-1598) en heer over de Nederlanden, het in 1528 gesloten munthuis in de stad Utrecht. Gelijktijdig sloot hij de Munt in Hasselt (Overijssel). Na de afzwering van Filips II bleef het Utrechtse munthuis bestaan en eigenden de Staten van Utrecht zich het muntrecht toe. Vanaf 14 februari 1579 namen zij definitief het toezicht op de Munt over. Deze datum is te beschouwen als het begin van de provinciale Utrechtse muntslag.
De meeste muntstukken produceerde de Munt in opdracht van kooplieden en handelaren. Aanmuntingen voor de overheid behoorden tot de grote uitzonderingen. Zoals eerder gezegd bestonden de inkomsten van de Munt voor de provincie uit een vaste afdracht per afgeleverde partij munten, de sleischat. De overheid had er dus belang bij dat de muntmeester een zo groot mogelijke productie bereikte. Voor de overheid was het dus zaak om de muntslag bij haar munthuis voor kooplieden en handelaren aantrekkelijk te maken. Om te voorkomen dat de gewesten op eigen initiatief het gehalte van de munten zouden verlagen, hadden de Staten-Generaal bepaald dat bij overtreding van de muntordonnantie de provincie een boete moest betalen van 25.000 gulden.
In Utrecht bleef het recht van muntslag gedurende ruim twee eeuwen onder toezicht van de Provinciale Staten van Utrecht. Onder het bestuur van koning Lodewijk Napoleon (1806-1810) werden in 1806 alle muntwerkzaamheden binnen het koninkrijk geconcentreerd op één locatie en hief men de verschillende provinciale munthuizen op. Het Utrechtse munthuis bleek op dat moment het beste toegerust en werd mede daarom verheven tot Koninklijke Munt.

In opdracht van de stad Utrecht sloeg de muntmeester met een zekere regelmaat koperen duiten. De stad bepaalde de hoeveelheid aan te maken duiten en de hoogte van de sleischat. De enorme winsten die op de uitgifte van duiten werden gemaakt, vloeiden hoofdzakelijk naar de stadsschatkist, maar ook voor de muntmeester was de muntslag van duiten zeer lucratief.

Naast munten vervaardigde de Munt ook penningen en stempels voor onder andere belastingzegels. Veel penningen werden in opdracht van de overheid vervaardigd. Hierbij moet men denken aan promotiepenningen voor de universiteit, schutterspenningen voor de betaling van de schutterij en penningen bij bijzondere gelegenheden.