De muntmeester oefende de algemene leiding binnen het munthuis uit. In Utrecht ontving hij zijn aanstelling van de Staten, maar verrichtte het werk als particulier ondernemer voor eigen rekening. Dit hield onder andere in dat hij op eigen kosten goud en zilver inkocht en daar munten van sloeg volgens de specificaties opgesteld door de Staten-Generaal of de Staten van Utrecht. De hoeveelheid munten die het munthuis produceerde, werd bepaald door de hoeveelheid goud en zilver die de muntmeester kreeg aangeboden. De inkomsten van de muntmeester bestonden uit de winst die hij maakte op het verschil tussen de inkoopprijs voor het goud en zilver en de waarde van het gemunte geld. Voor hem was het dus zaak om de productiekosten zo veel mogelijk te drukken bij een zo groot mogelijke omzet.

De muntmeester was verantwoordelijk voor de aanschaf van het muntmateriaal en de betaling van de salarissen van de werknemers. De gebouwen en een groot aantal gereedschappen stelden de Staten van Utrecht ter beschikking. De grondstof voor nieuwe munten bestond uit erts, voorwerpen van goud en zilver, en oude afgesleten of ongeldig verklaarde munten. Kooplieden, wisselaars en een enkele keer de overheid leverden dit materiaal aan om te verwerken. Zij kregen het materiaal direct betaald met nieuwe munten, zodat de muntmeester moest beschikken over een zekere hoeveelheid handelskapitaal. In de instructie van de Utrechtse muntmeester stond tot 1630 dat hij zesduizend gulden aan gemunt geld op voorraad moest hebben om kooplieden en handelaren direct te kunnen betalen. Bij de aanstelling van Nicolaes van Dael tot muntmeester in 1635 werd dit bedrag gehalveerd tot drieduizend gulden. De reden van deze halvering hebben wij niet kunnen vinden.

Voor de muntmeester was het voordelig om zijn grondstoffen onder de officiële prijs te kopen of munten te slaan met een te kleine massa of een te laag gehalte. Ter bestrijding van dit risico verplichtten de Staten de muntmeester bij de aanvaarding van zijn ambt een borgsom te storten. De borgsom verviel aan de Staten zodra er minderwaardige munten werden gefabriceerd of de muntmeester de sleischat niet voldeed. De muntmeester kon de borgstelling zelf voldoen, maar kon ook een ander voor zich doen borgstaan. In de aanstelling die de muntmeester van de Staten ontving stond tot 1630 dat hij een borg moest stellen van twaalfduizend gulden. Bij de aanstelling van Nicolaes van Dael werd ook de borgstelling gehalveerd.

Het muntmeestersambt kende naast verplichtingen ook aanlokkelijke voorrechten. Zo voorzagen de Staten hem onder meer van een ambtswoning bij de Munt. Vanwege de hoge verbouwingskosten aan de ambtswoning in het nieuwe muntcomplex aan de Oudegracht, moest hij echter vanaf 1647 een bescheiden huur betalen. Daarnaast verstrekte de stad vrijdom van de wacht en van verschillende imposten, waaronder de accijns op het bier.

Aan het begin van de zeventiende eeuw waren de muntmeesters vaak ook lid van het goud- en zilversmidsgilde en werkten zij voor hun aanstelling aan de Munt dikwijls als goud- of zilversmid. Vanaf het midden van de zeventiende eeuw waren muntmeesters vaker kooplieden en hadden zij niet langer een opleiding als goud- of zilversmid gevolgd.

Het ambt van muntmeester bleef aan de provinciale Munt van Utrecht een paar keer binnen de familie. De functie ging dan over van vader op zoon, zoals bij de families Van Dompselaer, Van Romond en Novisadi, of van broer op broer, zoals het geval was bij het aftreden van Hendrick van Dompselaer en de aanvaarding van het ambt door zijn broer Floris van Dompselaer in 1615. Hierin verschilde de Munt van Utrecht niet van andere munthuizen, waar ook geregeld het muntmeesterschap binnen de familie bleef. Gedurende twee eeuwen bekleedden leden van de familie Van Romond in verschillende provincies veelvuldig het muntmeestersambt. In de gehele Republiek was bijna twintig keer een lid van deze familie muntmeester of was een muntmeester door huwelijk gelieerd aan de Van Romonds.

Voor de familie Van Dompselaer kwam een einde aan de familieopvolging omdat er geen opvolger voorhanden was. Voor de families Van Romond en Novisadi kwam hier binnen Utrecht een einde aan door het faillissement van de laatste telg.



Blanckevelt, Margareta van
Daell, Nicolaes van
Dompselaer, Floris Henrick van
Dompselaer, Hendrick Hendricksz van
Dompselaer, Henrick Joostenssoon van
Eijck, Hendrik Mauritsz
Freijs van Dolre, Judith
Gerobulus, Johannes
Holtzheij, Johan George
Langerak du Marchie Servaas, Gideon Jan
Mahne, Maximiliaan
Naamen, Johan Sebastiaan van
Novisadi, Johan Christoph
Novisadi, Johan Ernst
Rijnevelt, Jan Jansz van
Romond, Jan van
Romond, Johan van
Romond, Sibertus van
Vianen van Jaersvelt, Jan van
Wesselman, Carel Frederik