Carel Frederik Wesselman, geboren in Beekbergen op 12 april 1746, muntmeester in Utrecht tussen 1777 en 1782, overleden in Helmond op 25 januari 1825, zoon van Pieter Wesselman (ontvanger) en Hendrina Pluijm.

Carel Frederik Wesselman werkte in Amsterdam als handelsessayeur en werd in 1777 benoemd tot muntmeester in Utrecht. Zijn voorganger was afgetreden, omdat hij geen toestemming had gekregen de doorjaagovens uit te breiden. Voordat Wesselman de eed wilde afleggen moest er een oplossing komen voor de doorjaagovens. In de tuin van de Munt was wel plaats, maar in verband met brandgevaar gaf de Vroedschap geen toestemming voor uitbreiding in de tuin. Op het Vredenburg kocht de stad voor tweeduizend gulden aan huisjes om daar doorjaagovens te bouwen, waarna Wesselman de eed aflegde. Gelijktijdig met de eedaflegging door Wesselman werd Nicolaas Kool in zijn functie als smidmeester hersteld. In 1780 verzocht Wesselman de Vroedschap om een uitbrander van kurken zijn ambacht te verbieden. De kurkenbrander woonde naast de nieuw opgerichte smelterij bij het Spaanse Gat en het uitbranden van kurken veroorzaakte stank waar de buren last van hadden. De buren waren de knechten van de muntmeester. In het voorjaar van 1782 verzocht hij zijn ontslag dat de Staten hem eervol verleenden.
Op 7 juli 1777 verleende de stad Utrecht Wesselman het burgerschap van de stad. In oktober 1781 kocht Wesselman het kasteel en de heerlijkheid van Helmond. Voor het overbrengen van zijn meubilair van Utrecht naar Helmond werd hem geen vrijstelling van domeinen verleend. De Staten vereerden hem in het najaar van 1782 met een stuk zilverwerk.


Hij is getrouwd in Amsterdam op 18 februari 1770, op 23-jarige leeftijd met
Anna Sebilla Wilhelmina Plencker (29 jaar oud), geboren in Essen op 29 augustus 1740, overleden in Helmond op 25 april 1817, dochter van Hendrik Willem Plencker en Daniela Theodora Brandt.
(Zij was weduwe van Gerrit Hayé.)

terug

www.silverresearch.org
© Luijt/Houtman