Johan George Holtzheij, geboren in Amsterdam in het jaar 1729, muntmeester in Utrecht tussen 1771 en 1776, overleden in Amsterdam op 15 februari 1808, zoon van Martinus Holtzheij (medailleur en muntmeester).
In 1749 nam Johan George Holtzheij het medailleursatelier van zijn vader over, toen die muntmeester werd te Harderwijk. In 1771 werd Johan George Holtzheij benoemd tot muntmeester van Utrecht, in welke functie hij regelmatig problemen had met de rest van het muntpersoneel. De smidmeester, Nicolaas Kool, ging met wachtgeld gedurende Holtzheij's muntmeesterschap, de stempelsnijder Jan Willem Marmé klaagde over het gebruik van ijzers die niet door hem waren gemaakt en de waardijn Van Haeften klaagde over de muntmeester, omdat hij werkte in zijn afwezigheid. In 1766 verbood de Utrechtse Vroedschap Holtzheij om nog langer gebruik te maken van de doorjaagovens in de kelders van het muntgebouw. De smidmeester en de muntgezellen gaven de Staten te kennen dat als gevolg van deze maatregel de werkzaamheden op de Munt hiermee werden gereduceerd tot nul. Als gevolg van dit alles weigerde Holtzheij na zijn eerste muntbusopening in december 1776 zijn ambt als muntmeester te continueren en nam hij in januari 1777 ontslag. Hij vertrok naar Amsterdam om zijn werkzaamheden in zijn medailleursatelier weer op te pakken.
Zijn zoon Martinus Holtzheij werd stempelsnijder aan de Munt van Zeeland.
Hij is getrouwd in het jaar 1767, op 38-jarige leeftijd met
Cornelia Hester Slob (19 jaar oud), geboren in het jaar 1748, overleden in het jaar 1776.
www.silverresearch.org