Arnold Eliot, gedoopt in de Jacobikerk op 27 september 1705 (doopgetuigen waren zijn tante Maria Magdalena de Sandra en zijn oom Matthias de Sandra), waardijn tussen 1727 en 1764, essayeur tussen 1727 en 1764, overleden op 20 februari 1764, begraven in de Buurkerk op 27 februari 1764, zoon van François Elioth (brouwer, waardijn en essayeur) en Margrita de Sandra.
Arnoldus Eliot volgde zijn opleiding tot essayeur bij Johannes Gril, essayeur van de Wisselbank in Amsterdam. Hij werd tot essayeur en waarnemend waardijn benoemd in augustus 1727. Een jaar later werd hij definitief met het waardijnschap vereerd. Eliot beschuldigde in 1738 muntmeester Van Romond van het maken van slechte munten, wat uiteindelijk tot het ontslag van de muntmeester leidde. Behalve gehalteonderzoek voor de Munt, verrichtte Eliot ook gehalteonderzoek voor zilversmeden in de stad. In 1762 verzocht hij de Staten om geassisteerd te worden door zijn zoon Leendert Jan. Na zijn overlijden in 1764 nam Leendert Jan de beide ambten waar.
Eliot verkocht in 1729 een huis aan de Mariaplaats. Hij bezat en bewoonde van 1730 tot 1747 het huis genaamd de Maagd van Gent aan de Ganzenmarkt. In augustus 1756 werd Eliot voor het gerecht gedaagd vanwege een nog openstaande schuld van bijna zestien gulden voor de overname van een tuin gelegen onder Oostveen. In 1757 eiste hij voor het gerecht tweeënhalve gulden van de zilversmid Adam Visch voor essaailoon. Eliot moest nogmaals voor het gerecht verschijnen in 1769 toen hij nog ruim zeven gulden aan wasloon schuldig was aan Willem Vermeer.
Hij is getrouwd in Amsterdam, getrouwd in de Dom op 21 oktober 1727 voor de kerk, op 22-jarige leeftijd (1) met
Barendina van den Velden, afkomstig uit Enkhuizen, overleden op 24 mei 1735, begraven in de Buurkerk op 6 juni 1735, dochter van ... van den Velden.
Hij was gehuwd (2) met
Anna Catharina Lindenbergh, overleden op 3 september 1762, begraven in de Buurkerk op 13 september 1762.
In 1762 aangesteld als adjunct-waardijn en essayeur naast zijn vader. Na het overlijden van zijn vader in 1764 werd hem toegestaan de ambten te blijven waarnemen zolang de vacatures zouden bestaan. Binnen een week werd hij aangesteld als essayeur en bekleedde hij het waardijnschap totdat dit een maand later aan Balthasar Abbema werd gegeven. In 1765 vroeg Eliot zijn ontslag en werd hij opgevolgd door Nicolaas de Brieder.
Leendert Jan Eliot vertrok naar Batavia om van 1768 tot 1777 voor de VOC als essayeur te werken.
www.silverresearch.org