Johan Christoph Novisadi, gedoopt in Amsterdam op 4 maart 1731 (Evangelisch Luthers), muntmeester in Utrecht tussen 1758 en 1771, zoon van Johan Ernst Novisadi (juwelier en muntmeester) en Sophia van den Bosch.

In 1740 had zijn vader laten vastleggen dat Johan Christoffel het muntmeesterschap zou erven. Vanaf 1758 vervulde hij het medemuntmeester samen met zijn vader. Na het overlijden van zijn vader in 1766, bekleedde Johan Christoffel zelfstandig het muntmeesterambt. Om als zodanig te mogen functioneren, had hij met de schuldeisers van zijn vader een overeenkomst moeten sluiten waarin hij toezegde jaarlijks een deel van de schuld te zullen aflossen. In 1771 beklaagden de schuldeisers zich bij het gerecht dat Novisadi als drie termijnen achterlag met zijn betalingen. In 1771 meende het College van Raden en Generaalmeesters dat Novisadi niet kon blijven fungeren als muntmeester, omdat de rijksdaalders die hij had geslagen een te laag gehalte zouden hebben. In juni 1771 werd hij ontslagen en vertrok Novisadi richting Amsterdam. In het najaar schreef hij een verweerschrift om zijn onschuld aan te tonen. De Staten namen aan dat Novisadi's malversaties niet opzettelijk waren geweest, zodat rechtsvervolging zou uitblijven.
Johan Christoffel werd in 1752 aangenomen als lidmaat van de evangelisch-lutherse gemeente van Utrecht. In 1754 promoveerde hij in Utrecht op een juridisch proefschrift 'De jure rei monetariae Batavos', dat zijn zwager Saxe had geschreven. In 1769 werd Novisadi door het gerecht gemaand om Jacobus van Olst een som van vier gulden en vijf stuivers te betalen voor geleverde glazen.

terug

www.silverresearch.org
© Luijt/Houtman