Johan Ernst Novisadi, gedoopt in Stettin (Pruissen) op 11 januari 1697 (Evangelisch Luthers), muntmeester in Utrecht tussen 1738 en 1766, overleden rond 1767, zoon van Christoffel Novisadi (hofgoudsmid van Zweden en koninklijk vismeester) en Anna Juliana Jonass.
In 1738 schreef Novisadi zich in als lidmaat van de evangelisch-lutherse gemeente van Utrecht en op 5 februari 1739 ontving hij het burgerschap van de stad. Hij werd tot muntmeester benoemd in 1738 en liet in 1740 vastleggen dat zijn zoon Johan Christoffel het ambt zou erven. Met zijn zoon bekleedde hij het muntmeesterschap van 1761 tot 1766. In 1766 verzocht hij zijn ontslag om naar Amsterdam terug te keren en zich weer als essayeur te vestigen. Het ontslag zou hem pas worden verleend nadat de muntbusopening had plaatsgevonden. Inmiddels had de Amsterdamse Wisselbank het faillisement van Novisadi aangevraagd en bleek hij een schuld te hebben van ruim Ÿ 30.000. De gezamenlijke schuldeisers kwamen met zoon Johan Christoffel Novisadi overeen dat hij als muntmeester zou blijven functioneren en ieder jaar een deel van de schuld zou aflossen. Kort daarop overleed Johan Ernst. In 1767 verkochten zijn erfgenamen uit de insolvente boedel een nieuw gebouwde smelterij aan het Vredenburg, waarin fineerovens, ijzeren blaasbalken en rasmolens waren opgesteld voor Ÿ 2.800,-.
Bij de inning van de Liberale Gifte in 1747 had hij twee kinderen en vier personeelsleden. Hij woonde toen aan de Oudegracht op de hoek van het Drieharingsteegje.
Volgens de muntencyclopedie zou Johan Ernst een zwager zijn van Jan van Romond.
Hij is in ondertrouw gegaan op 9 juni 1727 en getrouwd in het jaar 1727, op 30-jarige leeftijd met
Sophia van den Bosch, afkomstig uit Kaap de Goede Hoop, overleden op 17 mei 1778, begraven in de Buurkerk op 25 mei 1778, dochter van ... van den Bosch en Adriana van Constansia.
In 1740 had zijn vader laten vastleggen dat Johan Christoffel het muntmeesterschap zou erven. Vanaf 1758 vervulde hij het medemuntmeester samen met zijn vader. Na het overlijden van zijn vader in 1766, bekleedde Johan Christoffel zelfstandig het muntmeesterambt. Om als zodanig te mogen functioneren, had hij met de schuldeisers van zijn vader een overeenkomst moeten sluiten waarin hij toezegde jaarlijks een deel van de schuld te zullen aflossen. In 1771 beklaagden de schuldeisers zich bij het gerecht dat Novisadi als drie termijnen achterlag met zijn betalingen. In 1771 meende het College van Raden en Generaalmeesters dat Novisadi niet kon blijven fungeren als muntmeester, omdat de rijksdaalders die hij had geslagen een te laag gehalte zouden hebben. In juni 1771 werd hij ontslagen en vertrok Novisadi richting Amsterdam. In het najaar schreef hij een verweerschrift om zijn onschuld aan te tonen. De Staten namen aan dat Novisadi's malversaties niet opzettelijk waren geweest, zodat rechtsvervolging zou uitblijven.
Johan Christoffel werd in 1752 aangenomen als lidmaat van de evangelisch-lutherse gemeente van Utrecht. In 1754 promoveerde hij in Utrecht op een juridisch proefschrift 'De jure rei monetariae Batavos', dat zijn zwager Saxe had geschreven. In 1769 werd Novisadi door het gerecht gemaand om Jacobus van Olst een som van vier gulden en vijf stuivers te betalen voor geleverde glazen.
www.silverresearch.org