De huisvesting

terug

Qua omvang stelden de muntateliers aan het eind van de zestiende eeuw niet al te veel voor. Het door Filips II heropende Utrechtse munthuis was gevestigd in een soort loods die niet veel groter was dan vijftig vierkante meter. Dit gebouwtje bevond zich op het terrein van de Paulusabdij aan de Oudegracht ter hoogte van de Hamburgerstraat. Het stond op dezelfde locatie als waar in het verleden de bisschoppelijke Munt gehuisvest was geweest. Rond het jaar 1585 verhuisde de Munt naar de tegenwoordige Muntstraat, een zijstraat van de Nobelstraat richting de Nieuwegracht. In deze straat, die toen nog de Sacksteege heette, was voorheen ook het Cellebroedersklooster gelegen. Waarschijnlijk was de Munt in dit voormalige klooster ondergebracht. Het onderkomen in de Muntstraat bleek verre van ideaal. De onverharde straat was te smal en het gebouw verkeerde aan het begin van de jaren veertig van de zeventiende eeuw in een slechte staat. Daarbij kwam dat het gebouw niet direct aan het water lag, zodat aan- en afvoer van grondstoffen en producten niet eenvoudig was. De Utrechtse Vroedschap nam in 1642 het initiatief om te onderzoeken in hoeverre de Munt ondergebracht kon worden in het voormalige St.-Caeciliaklooster. Dit door de stad geconfisqueerde kloostercomplex lag centraal in de stad tussen de Oudegracht en de Neude, bezat kelders en kluizen en beschikte over een aanvoerroute over water. Het St.-Caeciliaklooster was bovendien aan alle vier de zijden afgeschermd van de buitenwereld, zodat ook voldoende veiligheid geboden werd. Tot slot bood het kloostercomplex voldoende ruimte voor de toegenomen productie van het muntbedrijf. Na enige grondige verbouwingen werd het nieuwe complex in 1647 door de Munt betrokken. De Utrechtse Munt en haar opvolgers hebben nog tot het begin van de 20ste eeuw van dit complex gebruik gemaakt.

terug

www.silverresearch.org
© Luijt/Houtman